Een straffe bries waait door mijn haar en doet de zeilen bollen. Op volle snelheid doorklieft de boeg de golven, waarvan af en toe met kracht zilte druppels in mijn gezicht spatten. Zittend op de loop van één van de boegkanonnen van het zacht deinende schip begin ik eindelijk tot rust te komen. Hier, op de plek waar ik me graag terugtrek om ten volle van de reis te genieten, maakt een vreemde combinatie van rust en opwinding zich van me meester. Eindelijk. We zijn op weg.

Onrustig was ik, al maandenlang, terwijl de bewolking aanhield. Soms nam ik thuis waar, tijdens de spaarzame momenten van opklaring. Maar het zachte geruis van de branding in de verte en het roepen van de zeemeeuwen maakte dat ik het bijna niet meer hield. Verlangend naar een nieuwe ontdekkingstocht was ik dan ook opgelucht toen er goed bericht kwam uit het noorden. De weersverwachting voor de Hebriden was gunstig. Koortsachtig laadden we proviand, munitie en natuurlijk de hemelspiegel aan boord van de Ionndrainn. Maar zelfs toen we uitvoeren uit de haven van Díleen bleef ik nog nerveus, totdat de laatste glimp van de kust aan de zuidoostelijke horizon verdwenen was. Het is duidelijk. Ik heb te lang aan wal gezeten.

We zijn nu op volle zee. Terwijl een groot deel van de bemanning aan de bakboordreling staat om de groene flits te zien tijdens deze zonsondergang, zit ik al met mijn hoofd bij de sterren. De hemel wordt al donkerder en donkerder en ik verwacht elk moment de Beer te ontwaren boven de phoenix die de boeg van de Ionndrainn siert. Maar zoals altijd is Aoife mij al voor. Vanuit het kraaiennest hoort ik de zachte maar heldere stem van onze navigator: “Beer in zicht! Koers op de loop van Alioth.” Jeshurun had de juiste koers al bijna te pakken. Met een minzame glimlach richting het kraaiennest maakt de stuurman een minieme koerscorrectie. Nu er steeds meer van het firmanent zichtbaar wordt besluit ik het hogerop te zoeken. Naast het boeggeschut is het kraaiennest één van mijn favoriete plekken op de Ionndrainn. Met een zwaai land ik naast Aoife, die net poolshoogte aan het nemen is. Terwijl de windharp zijn melancholische geluid doet horen, leidt de navigator uit dat instrument feilloos de windsnelheid en –richting af, en leest de breedtegraad af van de sextant. De koers klopt; de positie ook.

Nu ik enigszins tot rust ben gekomen wordt het tijd om plannen te maken, en inmiddels is het goed donker. Nadat ik het scheepslogboek uit mijn buideltas heb gehaald open ik het boek op de bladzijde waar ik mijn laatste waarnemingen, thuis in Díleen, heb opgetekend en laat ze aan Aoife zien onder het zwakke schijnsel van de scheepslamp.
Plotseling begint de mast te trillen en met een dreun landt een enorme kerel in het kraaiennest. Het silhouet van Jeshurun, met zijn donkerbruine huid, tekent zich af als een sterrenloze gestalte in het oosten. “Siobhán heeft het roer overgenomen”, verklaart de stuurman zich, terwijl hij me een vriendschappelijke klap op mijn rug geeft, “ik kom even kijken wat voor plannen jullie aan het maken zijn”. Terwijl mijn longen zowat in mijn keel zitten weet ik, naar adem happend, uit te brengen dat hij precies op het juiste moment komt. “NGC1245 gaat in de herkansing denk ik”, zegt Aoife, terwijl ze de schets in het scheepslog bekijkt. “Daar is niet veel aan te zien, alleen een paar veldsterren”. En inderdaad, dat is mijn plan, en ik voeg eraan toe dat ook NGC1444 een nieuwe kans krijgt. Jeshurun knikt instemmend. Ook nemen we ons voor om komeet Catalina in het vizier te nemen onder de donkere hemel. “Vergeet ook niet die planetaire nevel in M46”, voegt Jeshurun toe. Het duurt niet lang of we hebben een kleine lijst met hemeljuwelen die we voor de spiegel gaan houden.

Voor ons, in de verte doemt een schijnsel op. “We naderen Madestra”, zegt Aoife, en over de reling van het kraaiennest hangend instrueert ze Siobhán om de koers iets naar bakboord te verleggen. Mijlen verstrijken, en de lichten van Madestra strijken voorbij aan de stuurboordzijde van de Ionndrainn. Terwijl ik uitkijk over mijn geboortegrond zetten stuurman en navigator de verdere koers uit. Voorbij Madestra zullen we de Straat van Madança passeren en vervolgens koers zetten naar Mandrapur.
Tot voor enkele jaren bevoer de Ionndrainn zelden de wateren ten noorden van Madestra, maar sinds onze belangstelling voor de sterrenhemel is gewekt hebben we de donkere hemel van de Hebriden in onze armen gesloten. En niet allen wij, ook uit deze contreien varen geregeld schepen uit naar het noorden. Ook uit deze plaats zal spoedig een schip uitvaren, met aan boord de dean van Madestra, met wie ik al heel wat waarneemuren heb doorgebracht.
Orion staat al hoog aan de horizon en het Zwaard is duidelijk te zien. Inmiddels zijn we aangekomen in de Straat van Madança. Verder naar het westen, in de haven van Keshkemer, zal intussen ook worden geladen, en zal de hertog zich klaarmaken om aan boord te gaan.
Enkele uren later zijn we weer op open zee. Een stevige bries doet de windharp resoneren en Aoife is zacht aan het neuriën. Eyjaskógur, in het noorden, waarnaar ik verlang. Eyjaskógur, waar de hemel donker is, en de nachten lang. Terwijl de Zwaan bezig is met een duikvlucht naar de horizon, klimt aan de andere kant van de Poolster de Beer omhoog. Aoife neemt nog een keer poolshoogte en maakt uit de stand van de Poolster op dat Mandrapur niet ver meer kan zijn. Op dat moment roept Jeshurun uit: “Het baken van Mandrapur!” En inderdaad, recht voor ons is een helder licht te zien. Een ingetogen gejuich gaat op. De bemanning weet dat deze vuurtoren de helft van onze reis markeert.

Niet veel later kijken we uit over de stad aan stuurboord. Een zachte gloed van lichten tekent zich af tegen de berghellingen. Ook uit deze haven zal weldra een schip vertrekken. De maharani van Mandrapur is een gepassioneerd firmanentontdekster, en ook met haar heb ik inmiddels al heel wat uren onder een donkere hemel mogen doorbrengen.
Uren verstrijken en aan boord heerst een gespannen stilte. Gespannen van ingehouden opwinding en verwachting wat er komen gaat. De toch al niet erg spraakzame bemanning van de Ionndrainn lijkt nog meer op te gaan in de sterrenhemel die steeds donkerder en steeds overweldigender wordt. Een enthousiaste kreet verbreekt de stilte. “Land in zicht”, brult Jeshurun, en terwijl ik de plaats probeer te zien die de stuurman aanwijst zie ik eerst niets. Totdat me een zwart vlak opvalt waar sterren ontbreken. Dan een heuvel. Beboste rotsen. Een baai. Eyjaskógur.

Nadat we de baai zijn ingevaren klinkt de plons van het anker en strijkt de bemanning de zeilen. De hemelspiegel wordt in de sloep geladen en Aoife, Jeshurun en ik nemen plaats. De sloep wordt neergelaten en we roeien naar het strand, waar we binnen enkele minuten de kijker en toebehoren paraat hebben, waarna we naar de Ionndrainn terugroeien voor de bemanningsleden die mee willen kijken. Terug aan boord zien we in de verte lichten aankomen. “Schip aan bakboord!” klinkt het. Sterker nog, het zijn er drie. Siobhán neemt de verrekijker en glimlacht. “Goed volk. Ik zie de tekens van Keshkemer, Mandrapur en Madestra”. Ik geef de bemanning opdracht om de bovenste rij geschut aan bakboord te laden met losse flodders voor het begroetingssalvo en binnen enkele tellen galmt de echo van de schoten door de baai. Weldra zie ik enkele felle flitsen vanaf het konvooi, gevolgd door drie echo’s, als antwoord. Terwijl de kruitdamp over het dek trekt gaat er even een huivering door me heen. Ik prijs me gelukkig dat ik nu in een tijd leef waarin we het boordgeschut alleen hoeven te gebruiken om vrienden te begroeten. Terwijl de dean, de hertog en de maharani hun schepen afmeren in de baai roei ik met de navigator, de stuurman en enkele anderen terug naar het besneeuwde strand, dat baadt in het zilverachtige maanlicht. Direct richten we de blik omhoog. Ondanks de halve maan is het Andromedastelsel met het blote oog te zien. Duidelijker nog tekent het Dubbele Cluster zich af onder Cassiopeia. En ook de Praesepe in de Kreeft is duidelijk te zien. Ondertussen landen drie sloepen op het strand. Na een hartelijk weerzien met de hertog, de dean en de maharani staan in een mum van tijd ook hun kijkers opgesteld.

Als eerste richt ik de spiegel op de Tweelingen. Daar staat een sterrenhoop die moeilijk te vinden schijnt te zijn. En zowaar ik de Ionndrainn bevaar zal ik dat ding vinden. Op goed geluk richt ik de spiegel op een punt ergens tussen Castor en de middel van de tweeling en herken vrij snel het sterrenpatroon dat mijn vergrootkristal laat zien. Vanaf dat punt is het cluster snel gevonden. NGC2331 is niet spectaculair, maar toch duidelijk als cluster te herkennen. Daarom besluit ik er een eenvoudige schets van te maken in het scheepslog.

NGC2331

Ondertussen heeft de maharani de komeet Catalina in beeld, die in haar kristal helder en duidelijk te zien is, hoewel we beiden niet met zekerheid een staart kunnen onderscheiden.
Terug bij onze eigen spiegel probeer ik de Apenkopnevel NGC2174/5 in beeld te krijgen, die ook een sterrenhoop zou moeten zijn. Een sterrenhoop herken ik echter niet op de plaats die door de veldsterren wordt gemarkeerd; wel is heel vaag enige neveligheid te zien. Op mijn verzoek werpt ook de maharani een blik door mijn kristal en zij trekt dezelfde conclusie.
Terwijl ik NGC1245 opzoek voor de herkansing heeft de maharani de Orionnevel in beeld met het trapezium, waarin zij de E- en F-ster probeert te zien. Omdat ik die pas heb gezien tijdens een mooie heldere nacht thuis in Díleen probeer ik haar in mijn beste Mandrapuri uit te leggen waar ze staan ten opzichte van de heldere vier sterren, maar helaas ben ik die taal slechts beperkt machtig. Gelukkig heeft de maharani de E-ster al snel in de gaten. Zelf probeer ik het ook nog eens en E is goed te zien, maar met wat meer onrust in de atmosfeer dan die avond in Díleen is F inderdaad lastig. Ik heb toen blijkbaar geluk gehad, want later heeft ook de druïde van het Westerland me erop gewezen dat het zien van E en zeker F maar eigenlijk zelden mogelijk is.
De druïde. Ik denk vaak aan hem. Wijze lessen heb ik van hem geleerd over de waarneemkunst. Enkele malen heb ik hem bezocht in zijn toren en veel van hem geleerd, bijvoorbeeld over het juiste gebruik van vergrootkristallen. En dus onlangs over het Trapezium. Maar ook nu heb ik blijkbaar weer geluk want een paar keer maakt de F-ster zich los van zijn heldere buurman. En met volle teugen geniet ik van de prachtige wolk die zich om het zestal ontvouwt.

Terwijl ook Aoife en Jeshurun zich vergapen aan de Vleermuisnevel, loop ik even langs bij de dean, die de dubbelster Rigel in beeld heeft. En mooi ook. Zelfs de maharani, die niet zoveel met dubbelsterren heeft, smelt bij het zien van de reus en zijn puppie.
Even later is de herkansing van NGC1245 in Perseus geslaagd. Waar ik in Díleen niet meer zag dan de veldsterren biedt de hemel van Eyjaskógur zicht op een duidelijke gloed, waarin perifeer hier en daar wat speldenprikken zijn te zien. Mooi en subtiel. NGC1444 weet zich nog wel te verstoppen want meer dan een ruit maar ik er niet van. Heldere ster, dan een rij van drie, dan weer een zwakkere ster. Het zij zo.
Spectaculairder is Hubble’s Variable Nebula, NGC2261. Toen ik even in gesprek raakte met de maharani noemde zij deze nevel, en in het kristal toont deze zich als de staart van een duif, met in de punt een vrij heldere ster. Een mooi object, zeker de moeite waard. Ook om vast te leggen in het scheepslog.

NGC2261

Onderweg naar de duivenstaartnevel kwam ik even een heel leuk cluster tegen, waarnaar ik nu terugkeer. Ik blijk te zijn gestuit op de Kerstboomnevel, NGC2264. Die heb ik vast al eens eerder gezien maar nu blijf ik iets langer stilstaan bij dit charmante open cluster. Ook dit object teken ik op in het boek met een bescheiden tekening.

NGC2264

Thuis in Díleen heb ik voor het eerst M46 gezien maar toen ben ik vergeten te kijken naar de planetaire nevel die zich daar schijnbaar in bevindt, NGC2438. Dus wordt dat het volgende object. De maharani is me echter al voor en in haar kristal is een mooie ronde gloed te zien in het cluster. Terug bij de Spiegel van de Ionndrainn is hetzelfde beeld te zien, dat als volgt de boeken in zal gaan.

NGC2438

Inmiddels is het al tegen middernacht en de hertog besluit de terugtocht te aanvaarden. Nadat we afscheid hebben genomen en de hertog van Keshkemer een behouden vaart hebben gewenst vaart het schip uit de baai. De dean, de maharani en ik besluiten de kou nog even te trotseren en ik richt de spiegel op komeet Catalina. Ook in mijn kristal is geen staart te zien. Ik meen een zweem te zien aan de zuidwestzijde maar het is te vaag om te kunnen bevestigen.
Terwijl ik in de regio van M46 en M47 aan het kijken was had de dean blijkbaar hetzelfde idee. Nu heeft hij het τ Canis Majoris-cluster, NGC2362 in beeld. Een heldere ster, omgeven door een elegante cirkel van zwakkere exemplaren siert het beeldveld. Een juweel aan de zuidelijke winterhemel.

De nacht vordert, en de kou begint tot in de lagen kleding door te dringen. Jupiter staat laag boven de oostelijke horizon en schijnt door de kale boomtakken. Als afsluiter wil de maharani de reuzenplaneet nog heel graag verwelkomen in het nieuwe jaar en dat lukt nog heel aardig ondanks de niet optimale omstandigheden. Blijkbaar ligt de planeet goed in de smaak in diverse windstreken want eerder bleken zowel de hertog, de dean als de maharani deze planeet als favoriet te hebben. En zelf vind ik de planetenkoning ook niet verkeerd maar Saturnus staat bij mij net even hoger.
Nadat we hartelijk afscheid hebben genomen en de wens hebben uitgesproken elkaar weer spoedig te treffen op Eyjaskógur worden de sloepen geladen en keert ieder terug op zijn eigen schip.
Eenmaal terug aan boord van de Ionndrainn lichten we snel het anker en nadat we de zeilen hebben gehesen varen we de baai uit, in het kielzog van het fregat van de maharani. Na enige tijd bereiken we volle zee en is het tijd voor muziek en nagenieten van alles wat we hebben mogen zien. “Een gedenkwaardige avond”, merkt Jeshurun op. Aoife knikt instemmend en zacht brengt ze opnieuw een ode aan de donkere hemel van Eyjaskógur.

Moe als ik ben draag ik het bevel over het schip over aan Jeshurun. Of Aoife. Dat mogen zij uitmaken, ik vertrek naar mijn hangmat, met het scheepslog onder mijn arm. “Welterusten”, glimlacht de stuurman, “droom zacht”. Liggend in mijn hangmat werp ik een laatste blik in het boek voor het slapen gaan. Schetsen. Clusters. Nevels. NGC2438. Een schip. De Ionndrainn. Golven. Ze bewegen in de wind. Een zilte bries waait me tegemoet. De golven verdwijnen, ik zie een blauwe hemel boven de Ionndrainn. En onder de Ionndrainn. Sterren. Voor ik kan bedenken wat deze beelden te betekenen hebben val ik in een diepe slaap.